Wat is cognitieve veroudering?   

Cognitieve veroudering duidt op veranderingen in cognitieve functies (zoals aandacht of het geheugen) tijdens de periode tussen volwassenheid en ouderdom, dus grofweg vanaf het 30e levensjaar. Het betreft hier vooral de normale veranderingen, en niet de drastische achteruitgang van geestelijke functies als gevolg van typische ouderdomsziektes zoals de ziekte van Alzheimer en de ziekte van Parkinson. Er is in de laatste drie decennia zeer veel wetenschappelijk onderzoek verricht op dit terrein. A.T. Welford in Engeland en T.A. Salthouse in de Verenigde Staten waren belangrijke pioniers op dit terrein. In Nederland is in de afgelopen 20 jaar veel systematisch epidemiologisch onderzoek verricht door de groep van J. Jolles van de Universiteit van Maastricht.

In het algemeen blijken ouderen het niet slechter (of soms zelfs beter) te doen dan jongeren in cognitieve taken die een beroep doen op ervaring en kennis. Ook aangeleerde vaardigheden zoals bijvoorbeeld fietsen of lezen blijken weinig te veranderen. Ouderen zijn echter vergeleken met jongeren in het nadeel in taken die een beroep doen op snelheid en efficiëntie van denken en reageren. Het gaat hierbij vooral om functies als concentratie, de aandacht en het werkgeheugen. Dit is een vorm van geheugen waarbij men over een korte periode informatie moet vasthouden en bepaalde bewerkingen hierop moet uitvoeren (bijvoorbeeld hoofdrekenen). Ook blijken ouderen vergeleken met jongeren meer moeite te hebben met het snel wisselen van aandacht voor een bepaald doel of handeling naar een ander(e) doel of handeling, een functie die ook wel taakcontrole of taak-switchen wordt genoemd. Dit valt onder de zogenoemde executieve functies. Deze functies hebben ondermeer te maken met het produceren van doelgericht gedrag, omgaan met en/of inspelen op nieuwe situaties, stellen van prioriteiten, en het oppakken c.q. benutten van signalen over het eigen gedrag, zoals bij het maken van fouten.

Veel onderzoek op dit terrein heeft betrekking op de vraag of achteruitgang in cognitieve functies bij het ouder worden alle functies in gelijke mate treft, of dat bepaalde functies meer kwetsbaar zijn anderen. Dit wordt ook wel aangeduid als het non-specifieke (global) versus specifieke (local) debat. Een voorbeeld van een non-specifieke theorie is de globale vertraging (global slowing) theorie. Deze stelt dat het meest kenmerkende aspect van cognitieve veroudering een toenemende traagheid is van elementaire verwerkingsprocessen of taakelementen. Omdat complexe taken uit meer deelprocessen (of taakelementen) zijn opgebouwd dan eenvoudige taken, zal dit leiden tot een proportionele achteruitgang in de snelheid waarmee deze taken worden uitgevoerd. Zo kan gesteld worden dat ouderen tussen 60 en 70 jaar ‘door de bank genomen’ 20% trager zijn dan een groep jongeren tussen 20 en 30 jaar oud. Dit principe geldt ook als we de prestaties van een groep jonge en oude personen vergelijken over een groot aantal kwalitatief verschillende reactietaken. Dit is aangetoond in zogenaamde meta-analyses, dat wil zeggen onderzoekingen waarin men de resultaten van een groot aantal studies met verschillende taken en verschillende groepen proefpersonen heeft vergeleken. Het laatste suggereert dat de aard van de taak en het onderliggende mentale proces er weinig toe doen. Het enige principe dat geldt, is de snelheid van het verwerkingsproces. Een andere visie is echter dat de veranderingen in cognitieve functies wel degelijk een meer specifiek karakter hebben. Volgens deze visie zijn meta-analyses te grofmazig om subtiele specifieke verschillen in cognitieve functies tussen ouderen en jongeren te kunen aantonen.


Het beschikbaar komen van nieuwe non-invasieve methoden (zoals MRI en fMRI) maakte het mogelijk de hersenen van ouderen in vivo te bestuderen (zie afbeelding). Dit heeft waardevolle kennis opgeleverd, die een belangrijke aanvulling betekende op het gedragsmatige verouderingsonderzoek en post mortem data. Een mogelijk mechanisme in de hersenen dat ten grondslag ligt aan cognitieve vertraging is neuronaal verlies. Dit houdt in dat er bij het ouder worden sprake is van een geleidelijk verlies aan neurale connectiviteit (of: verbindingen tussen zenuwcellen) in de hersenen. Dit kan een gevolg zijn van verval van neuronen en/of dendrieten. Ook vond men veranderingen in de witte stof (de myeline die de axonen van vele neuronen omhult), een afname van neurotransmitters als dopamine en acetylcholine, en een verminderde bloedtoevoer in de bloedvaten van de hersenen. Deze factoren tesamen zijn vermoedelijk verantwoordelijk voor een tragere of meer ‘ruizige’ informatieverwerking in het oudere brein.

Er zijn aanwijzingen dat bij ouderen die mentaal actief zijn cognitieve veroudering minder snel optreedt, of minder kans bestaat op het krijgen van de ziekte van Alzheimer. Dit is onder andere onderzocht door testscores van groepen ouderen die wel of niet mentaal actief zijn met elkaar te vergelijken. Dit heeft geleid tot de opvatting dat door de geest in te spannen, ouderen neuronaal verlies kunnen tegengaan of zelfs de groei van nieuwe neurale verbindingen kunnen stimuleren. Dit laatste wordt ook wel de 'use it, or lose it'- hypothese genoemd. Het is vooralsnog onduidelijk of een dergelijk causaal mechanisme inderdaad bestaat. Het zou immers ook zo kunnen zijn dat mentaal actieve ouderen van nature minder gepredisponeerd zijn tot cognitieve achteruitgang en het krijgen van ouderdomsziektes. Wél is gebleken dat training in specifieke cognitieve vaardigheden, waarbij de nadruk ligt op snelheid van verwerking en oefenen van geheugen- functies, de prestatie van ouderen kan verbeteren.

Er bestaan tenslotte aanwijzingen dat vooral de prefrontale (meest vooraangelegen) gebieden in de hersenen het meest kwetsbaar zijn voor leeftijdsgebonden achteruitgang van cognitieve functies. In de menselijke levensloop (maar ook binnen de evolutie) is de ontwikkeling van de frontale hersenen het laatst voltooid. Daarom wordt hier ook wel het gezegde gebruikt: 'last in first out'. De frontale hersenen worden beschouwd als de thuisbasis van de eerder genoemde executieve functies (noot: dit wijst dus meer in de richting van een specifieke dan een non-specifieke factor wat betreft de achteruitgang van cognitieve functies). Dit laatste wordt bevestigd door resultaten van recent hersenonderzoek. Ook uit neuropsychologisch onderzoek blijkt dat beschadiging van de frontale hersengebieden vaak gepaard gaat met een aantasting van executieve functies. Mogelijk is hetzelfde mechanisme ook verantwoordelijk voor de meer geleidelijke cognitieve achteruitgang bij normale veroudering. Bij ouderen zou een aantasting van executieve functies mede een gevolg kunnen zijn van een verminderde dopamine productie in de prefrontale gebieden.

 
Bron: Wikipedia, met bijdragen van Albert Kok (Emeritus Hoogleraar Fysiologische Psychologie, UvA)


Heeft u nog vragen? Neem dan gerust contact op met het SeniorLab:

info@seniorlab.nl of via telefoonnummer 020-5256921




  © 2010 SeniorLab (Universiteit van Amsterdam) / Jeroen Scheurwater